De Staatssecretaris van Financiën, de formele wederpartij van de particulier, heeft er niet voor gekozen het arrest van het Hof bij de Hoge Raad gecorrigeerd te krijgen. Hij heeft zich bij de uitspraak van het Hof van 1 mei 2009 neergelegd. Daarmee is het oordeel van het Hof definitief.
In zijn besluit van 10 juni 2009 heeft de Staatssecretaris nader bericht over zijn beslissing om te berusten in het arrest van het Hof. Dat besluit luidt :
""Uitbreiding monumentenvrijstelling
Ik berust in de genoemde uitspraak van het Gerechtshof 's-Gravenhage. Bij de toepassing van de monumentenvrijstelling zal ik de uitspraak van het Gerechtshof in acht nemen. In verband hiermee wordt het tot op heden gevoerde beleid aangepast. Een en ander wordt hierna nader uiteengezet. De verruimde toepassing van de vrijstelling heeft een voorlopig karakter. Dit voorlopige karakter is ingegeven door het feit dat momenteel een evaluatie plaatsvindt van de vrijstelling.
Zoals ik tijdens de behandeling van de Wet van 3 juli 2008 tot wijziging van een aantal belastingwetten en andere wetten (Stb. 2008, 262) heb aangegeven, zal ik de evaluatie afwachten en mede aan de hand van de uitkomsten daarvan bepalen op welke wijze de vrijstelling van overdrachtsbelasting zal worden vormgegeven.
Toepassing na uitspraak Gerechtshof 's-Gravenhage
De vrijstelling geldt thans uitsluitend voor de verkrijging door monumentrechtspersonen. Dit vereiste kan na de genoemde uitspraak van het Gerechtshof 's-Gravenhage buiten toepassing blijven. Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR keur ik daarom voorlopig het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk of een rechtspersoon. De voor een rechtspersoon geldende voorwaarde dat deze hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft, komt te vervallen.
Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het UBBR kan buiten toepassing worden gelaten. Ik benadruk hierbij dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het UBBR onverkort van toepassing blijft.
Ook behoeft een rechtspersoon, voor de toepassing van de vrijstelling, niet meer door de Minister te worden aangewezen als monumentrechtspersoon. De mandatering op de voet van artikel 10:3, eerste lid en artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht aan de voorzitter van het managementteam van de belastingdienst Oost-Brabant wordt hierbij ingetrokken.
De goedkeuring geldt met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 2009 tot de datum waarop de voorziene wijziging van de vrijstelling, opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR in werking treedt. Indien op of na 1 mei 2009 voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden dan wel een naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zal de inspecteur van de Belastingdienst op verzoek teruggaaf of vermindering van overdrachtsbelasting verlenen. Er wordt niet teruggekomen op voldoeningen op aangifte dan wel naheffingsaanslagen die vóór 1 mei 2009 onherroepelijk zijn komen vast te staan. Aan de vermindering of teruggaaf verbindt de inspecteur het voorbehoud als bedoeld in onderdeel 5 van dit besluit.""
Tot zover de Staatssecretaris van Financiën.
Op Prinsjesdag 2009 (de derde dinsdag in september) heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat de vrijstelling in zijn geheel wordt afgeschaft. De regeling zoals ooit bedacht, is niet langer meer van belang. Een subsidieregeling zal in de plaats komen.

