Waar gaat het in deze zaak om?

In de zaak staat centraal de toepassing van artikel 15, 1e lid, aanhef en onderdeel p, van de Wet Belastingen van rechtsverkeer. Dit artikel luidt:
 
Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van belasting vrijgesteld de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 door rechtspersonen welke naar het oordeel van Onze Minister hoofdzakelijk de instandhouding van dergelijke monumenten ten doel hebben.
 
Dit betekent dat een rechtspersoon (bijvoorbeeld een BV, NV of een stichting) bij aankoop van een rijksmonument geen 6% overdrachtsbelasting behoeft te betalen, maar dat dit niet geldt voor een particulier. Deze betaalt dus gewoon 6% belasting over de koopsom. De wettelijke regeling is altijd geaccepteerd. Niemand heeft daartegen kennelijk ooit bezwaar gemaakt. In 2006 verandert dit. Dan maakt een particulier bezwaar tegen de 6% heffing bij zijn aankoop van een rijksmonument. De zaak komt bij de rechtbank ‘s- Gravenhage. De rechtbank wijst zijn bezwaar af. De rechtbank beslist (op 16 mei 2007) dat uit de wettekst en de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever de vrijstelling welbewust heeft beperkt tot verkrijging door rechtspersonen die zich naar het oordeel van de Minister van Financiën hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel stellen. Verkrijging door natuurlijke personen is daarvan uitgezonderd. De rechtbank was van oordeel dat de wetgever in redelijkheid dit uitgangspunt heeft kunnen hanteren. De wetgever heeft de hem op fiscaal gebied toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden. De rechtbank besliste dat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake was. De vordering van de particulier werd dan ook afgewezen (rechtbank 's-Gravenhage d.d. 16 mei 2007, LJN: BA6948).
 
Met de beslissing van de rechtbank heeft de particulier echter geen genoegen genomen en hij heeft dan ook hoger beroep bij het Hof  ’s-Gravenhage aangetekend. Op 1 mei 2009 heeft de belastingkamer van het Hof geoordeeld dat de wettelijke regeling van artikel 15 wel degelijk tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen leidt (Hof ’s-Gravenhage d.d. 1 mei 2009, LJN : BI 3637). Het Hof heeft vervolgens zelf in het rechtstekort voorzien door de in voornoemd artikel opgenomen vrijstelling ook op de verkrijging van de particulier toe te passen. De procederende particulier behoefde dus niet de 6% overdrachtsbelasting over de koopsom te betalen. De integrale tekst van de uitspraak van het Hof d.d. 1 mei 2009 kunt u hier downloaden.